De houtblazers: heerlijk hout
De groep houtblazers hoort tot de blaasinstrumenten of aerofonen en bestaat uit dwarsfluiten, hobo's, klarinetten en fagotten. Zoals de naam al zegt, moet je op een blaasinstrument blazen om er geluid uit te krijgen. Deze instrumenten produceren tonen wanneer je in een kolom blaast. De lucht in deze kolom gaat aan het trillen en afhankelijk van de vorm en het materiaal van de kolom krijg je een bijzondere klank. Door het openen en sluiten van van klankgaten of kleppen kan je verschillende tonen produceren.
Hogere en lagere tonen
Net zoals bij de strijkers geldt dat hoe groter het instrument is, hoe lager het klinkt. Dat heeft allemaal te maken met de afstand die de lucht moet afleggen. Wie al eens op een blokfluit geblazen heeft, weet dat wel: hoe meer gaatjes je dicht houdt, hoe langer de luchtstroom erover doet om uit het instrument te ontsnappen en hoe lager de toon klinkt. Hoe minder gaatjes je dicht houdt, hoe sneller de luchtstroom ontsnapt en hoe hoger de toon.
Houtblazers uit metaal of kunststof
Houten blaasinstrumenten worden van hout gemaakt. Althans, vroeger was dat zo. Fluiten worden tegenwoordig van allerlei soorten metaal gemaakt en voor klarinetten gebruikt men soms kunststof. Hobo’s en fagotten zijn grotendeels nog van hout, maar hebben toch metalen kleppen.
De houtblazers op een rijtje
- De dwarsfluit is misschien de meest bekende houtblazer. Het is ook een bijzondere houtblazer, want in tegenstelling tot de overige blazers wordt er geen lucht in de dwarsfluit geblazen, maar wel eroverheen. Denk maar aan het blazen op een colaflesje: zo ongeveer gaat de fluitist te werk. Vroeger zaten er alleen gaatjes in een fluit, maar de moderne fluit heeft aardig wat kleppen en knoppen. Het kleine broertje van de fluit is de piccolo. Het woord ‘piccolo’ is Italiaans en betekent gewoon ‘klein’. Omdat hij zo klein is, klinkt de piccolo nog een heel stuk hoger dan de dwarsfluit. Je hebt ook een altfluit, die is een stuk groter dan de fluit en klinkt dus ook heel wat lager.
- De hobo is een houtblazer waarbij je de lucht wel in het instrument blaast. Maar de hobo heeft geen gewone opening zoals de fluit. De hoboïst blaast de lucht in het instrument door een rietje, dat hij tussen de lippen neemt. Een riet bestaat uit een dubbel gevouwen rieten plaatje dat de muzikant zelf snijdt. Zoiets is erg delicaat werk: bijna elke hoboïst snijdt zijn riet dan ook zelf. Hij kan dan zelf beslissen hoe dik of hoe dun hij het riet wil hebben. Net zoals de fluit heeft ook de hobo een familielid in het orkest, dat is de Engelse hoorn of althobo. Dit instrument is dus geen hoorn, maar een soort hobo die groter is en dus lager klinkt. Je kan de Engelse hoorn herkennen aan de vorm van het rietstuk: daarin zit een bijzonder knikje.
- De klarinet ziet er van ver ongeveer uit zoals de hobo, maar heeft geen dubbelgevouwen rietje. In plaats daarvan zit er een rieten plaatje aan het mondstuk. In tegenstelling tot de hoboïst hoeft de klarinettist zijn riet niet zelf te snijden. De klank van een klarinet is erg vol en warm en mengt voortreffelijk met het geluid van andere instrumenten. De grotere broer van de klarinet is de basklarinet, die klinkt uiteraard lager en is een stuk groter.
- De fagot is een van de grootste en diepst klinkende houtblazers. Het instrument is nauw verwant aan de hobo, want net zoals dit instrument wordt de fagot bespeeld door lucht te blazen in een dubbelgevouwen riet. Nóg lager dan de fagot klinkt de contrafagot.